Opleiding
Hogeschool voor de Kunsten, Arnhem
Academie Sint Joost, Breda
Recente tentoonstellingen
2008 Bloody Beautiful (Part 2), Galerie Ron Mandos, Amsterdam
2007 Dierlijk Getroffen, Galerie LUMC, Leiden
Fragment catalogustekst (Robbert Roos)
Bij Barbara Polderman is er de 'stand in' van een pop voor echte wezens. Dieren en mensen worden door haar opgebouwd uit lappen stof. Stropdassen vormen een adelaar, de rafelranden van kleden vormen het loof waarop een vrouwfiguur - gecreëerd uit een stof bedrukt met lianen en gebladerte - ligt. De transformatie maakt de figuren fabelachtig, functionerend in een geheel eigen verhaal. Poldermans sculpturen gaan over een gesublimeerde werkelijkheid.
Achtergrondinformatie
(1) Mijn werk bestaat uit beelden van mensen en dieren en een kleiner aantal collages.
Ik baseer mijn werk op wat me ontroert, hoe ik me iets voorstel of herinner en ik probeer daar een zo uitgesproken mogelijke vertaling van te maken.
Een beeld van een mensfiguur (of figuren) geeft voor mij een meer letterlijke vertaling van een emotie. De complexiteit van een lichaam biedt veel mogelijkheden om in houding en gebaar de juiste uitdrukking en intensiteit aan het beeld te geven. Ik richt me op het vinden van een balans tussen werkelijkheid en een belevingswereld, zoals bijvoorbeeld slapen ook balanceert tussen er zijn en er niet zijn. Natuurlijke motieven als planten, bloemen en bladeren die veel in mijn werk voorkomen gebruik ik om de twee te verbinden.
Een dier kan iets representeren en bied meer ruimte voor interpretatie en projectie. Ik probeer iets menselijk in een dier te laten zien en iets dierlijks in een mensfiguur te benadrukken.
Het werk wordt opgebouwd uit een mix van verschillende materialen. De basis en onderlagen bestaan voornamelijk uit metaal, gips, papier-maché en polyesterhars. De bovenste lagen, de huid, werk ik o.a. uit met textiel, linten en band, paraffine, leer, bont, hars, lak en verf.
In materiaal zoek ik kenmerken die kunnen uitdrukken of bijvoorbeeld een huid zacht, transparant en letterlijk kwetsbaar is als paraffine of getaand en geschuurd als bont waarvan de haren losgetrokken zijn. Het verleden van oude en gebruikte gordijnen, meubelstof en kleding, zichtbaar in bepaalde patronen, kleuren en textuur, combineer ik met nieuwe textiel.
Ook in de verwerking en bevestiging zoek ik naar manieren die de inhoud en uitdrukking van het werk versterken. Bijvoorbeeld of de huid van een beeld van stof of leer verlijmt, met naald en draad vastgezet, gedrenkt in polyesterhars of alleen maar gespeld is.
Mijn streven is om zowel de vorm, de inhoud, het materiaal als hoe een werk gemaakt is samen te laten vloeien tot een vanzelfsprekend geheel. Om werk te maken dat als persoonlijk maar ook als herkenbaar ervaren kan worden.
(2) ‘Een hond heeft zich opgerold op een kussen. Hond en mand zijn gemaakt van hetzelfde materiaal: felgekleurde lappen met opgestikte bloemen. Stof voor ouderwetse schorten of jurken voor bejaarde dames. De vacht van de hond is nog net zichtbaar tussen de bloemen. Het beest is aan het verdwijnen in het handwerk van zijn baas.’
‘De meest interessante beelden in de tentoonstelling [Het dier is overal] zijn van Barbara Polderman, Merijn Bolink en Christina Lucas. Hun werk is poëtisch en meerduidig. Het stemt tot nadenken en vrolijkheid, niet omdat de inhoud zo opgewekt of opzienbarend is, maar omdat de eigenzinnige vormgeving overtuigt; oude inzichten worden daar nieuw van.
Polderman's werk suggereert dat mensen de natuur het liefst domesticeren en behaaglijk maken. Haar bovenbeschreven lapjeshond, die zijn dierlijke identiteit dreigt te verliezen, maakt deze neiging tot vertrutting goed zichtbaar. Polderman toont ook kijkkasten vol opgeprikte beesten en planten. Als kleine natuurhistorische musea vestigen ze de aandacht op onze driftige neiging tot verzamelen en beheersen. Het zijn perfecte beelden, sterke composities en mooi van kleur. Zo gaan we om met natuur: alles onder controle. Polderman vult haar Wunderkammer echter met papierknipsels en roept daarmee associaties op met poëziealbums en onnozele huisvlijt. Haar beelden zijn veel te goed voor deze truttigheid, maar ze herinneren er wel aan; een dubbelzinnige eenheid van vorm en inhoud waaraan ze hun overtuigingskracht ontlenen.
Polderman toont ook een grote wolf, zonder ogen en zonder bek. Hij oogt haveloos en machteloos als een oude zwerver. Toch staat hij fier op zijn poten. Misschien hoopt ze dat de natuur uiteindelijk opgewassen blijkt tegen onze behoefte aan gezelligheid.’


